| Diersoort: Familie:
Orde:
Klasse: |
Bennett’s wallaby ( Wallabia rufogrisea
kangoeroeachtigen ( Macropodidae )
buideldieren ( buideldieren )
Zoogdieren ( Mammalia ) |
 |
|
| Biotoop: |
Overdag slapen de wallaby’s in het struikgewas. Van 's
avonds laat tot 's morgens vroeg zijn ze op open plekken in het
bos of op de savannes te vinden. Dan gaan ze op zoek naar
voedsel. |
| Verspreidingsgebied: |
De Bennett’s wallaby komt voor in droge gebieden aan de
zuidkust van Australië, in de provincie Queensland en op
Tasmanië. |
| Gem. grootte: |
80 cm, staart 70 cm |
| Gem. gewicht: |
♀ 8 tot 13 kg, ♂ 6 tot 18 kg |
| Gem. levensduur: |
12 tot 15 jaar |
| Geslachtsrijp: |
Bennett’s wallaby’s zijn geslachtsrijp na ongeveer een jaar. |
| Draagtijd: |
30 dagen |
| Jongen / worp: |
één jong, maar soms twee- of drielingen. |
| Leefgewoontes: |
Bennett’s wallaby’s kunnen sprongen maken van wel negen
meter ver. Ze zijn geen hoogspringers en halen maar anderhalve
meter hoog. Bij het springen gebruiken ze niet hun voorpoten.
Als ze gras eten, bewegen zij zich heel langzaam voort. Hierbij
steunen ze eerst op hun staart en korte voorpoten. Daarna
brengen ze hun achterpoten naar voren. Wallaby’s likken hun
voorpoten om af te koelen of als ze verontrust zijn. |
| Speciale eigenschap: |
Een vrouwelijke wallaby kan twee soorten moedermelk op
hetzelfde moment aanmaken. Het kan gebeuren, dat ze een jong van
negen maanden oud in de buidel heeft en een pasgeboren jong zo
groot als een tuinboon. Het jong van negen maanden drinkt nog
steeds moedermelk, maar eet ook al wat vast voedsel. Het
pasgeboren jong drinkt alleen maar moedermelk. Beide jongen
krijgen hun eigen moedermelk, aangepast aan hun behoeftes. |
| Voedsel in de natuur: |
gras, wortels van vetplanten en bladeren |
| Voedselin de zoo: |
water,luzernehooi, grashooi en gras, harde
groenten en fruit, zoals wortelen, zoete aardappelen, appel,
maïs en kant-en-klare pellets. |